CRiS-onderzoeker Joyce Albrecht doet onderzoek naar de noden en ervaringen van kinderen met een vader in detentie. Ze gaf hierover meer informatie in het actualiteitenprogramma de Afspraak.
We spraken haar over haar onderzoeksproject en haar visie op de toekomst.
Hoe ben je in dit vakgebied terechtgekomen?
“Toen ik jong was, ben ik al in aanraking gekomen met het gevangeniswezen door de detentie van mijn vader. Hierdoor ben ik op jonge leeftijd al gaan nadenken over rechtvaardigheid, menselijk gedrag en over de oorzaken van criminaliteit. Al heel snel had ik door dat deze thema’s niet zo zwart-wit te benaderen zijn, wat me ertoe bracht om na mijn middelbare school Criminologische Wetenschappen te gaan studeren. Tijdens mijn masterjaren nam ik echter een andere afslag: Bestuurskunde. Na een kleine omweg van tien jaar waarbij ik vooral in de consultancy en de publieke sector heb gewerkt, voelde ik dat ik toch iets wilde doen met het gevangeniswezen en mijn eigen ervaring. Dat ik een doctoraat zou schrijven had ik nooit kunnen voorspellen. Dat is eerder toevallig op mijn pad gekomen toen ik in mijn dertiger jaren besloot om alsnog mijn master Criminologische Wetenschappen af te ronden aan de VUB. Daar kreeg ik het voorstel om voort te bouwen op mijn masterproef en een carrière als onderzoeker te overwegen. Ik beschouwde mezelf eerder als een doener dan een denker, waardoor ik dacht dat onderzoeker zijn niets voor mij was. Maar nu weet ik dat beide evengoed kunnen gecombineerd worden in wetenschappelijk onderzoek.”
Waar ligt je huidige onderzoeksfocus?
“Mijn huidige focus ligt op de ervaringen van kinderen met gedetineerde vaders in Vlaanderen. Hiervoor breng ik zowel de profielen van vaders en kinderen in kaart en doe ik kwalitatief onderzoek met zowel vaders in detentie, kinderen met een gedetineerde vader en de mensen die voor de kinderen zorgen. Meer specifiek ben ik geïnteresseerd in waarom kinderen zo’n uiteenlopende ervaringen hebben. We weten namelijk dat sommige kinderen een heel moeilijke levensloop kennen, terwijl andere kinderen veerkrachtig zijn. Ik ben benieuwd naar de rol van detentiefactoren (o.a. straflengte en aard van de feiten), institutionele kaders van de gevangenis (bv. kindbeleid, beschikbare ondersteuning, … ) en de gezinscontext hierin. Dit doe ik via Participatief Actie Onderzoek, waarbij ik samen met vaders en kinderen nadenk over mogelijke oplossingen en acties om de huidige problemen en hiaten in het beleid aan te pakken.”
Wat vind je het meest uitdagend aan je onderzoek?
"Het meest uitdagende voor mij is dat ik geconfronteerd wordt met enorm veel hulpvragen van vaders en families en ik hier vanuit mijn onderzoeksrol heel weinig aan kan doen. Ik moet heel vaak zeggen: “Ik begrijp hoe moeilijk dit voor jou is, maar ik kan jou hier niet bij helpen”. Tegelijkertijd legt dit bloot dat er een groot tekort is aan ondersteuning voor vaders en hun gezinnen, vooral bij vragen rond contactherstel of de toeleiding naar sociale diensten. Daarnaast merk ik dat het gevangeniswezen zo hard onder druk staat, dat ik soms twijfel aan de werkelijke impact die ik als onderzoeker kan realiseren. Ik ben daarom al voorzichtiger geworden in mijn uitspraken naar families toe. Dat vind ik oprecht jammer. Daarom focus ik mij nu vooral op zaken die wel binnen mijn ‘locus of control liggen’: sensibilisering en beleidsimpact op basis van de inzichten uit mijn onderzoek. Ik probeer het thema zoveel mogelijk onder de aandacht te brengen in de media, bij praktijkorganisaties en beleidsmakers. Ik richtte ook samen met anderen Buitenfamilies vzw op, een organisatie die laagdrempelige ondersteuning biedt aan families die met detentie te maken krijgen. Via deze vzw kan ik de inzichten uit mijn onderzoek rechtstreeks vertalen naar de praktijk. Zo probeer ik toch het verschil te maken zonder helemaal afhankelijk te zijn van andere instanties en logge systemen.”
Welke vaardigheden hoop je de komende jaren verder te ontwikkelen als onderzoeker?
“Ik wil me vooral meer ontwikkelen op vlak van statistische analyse, observatietechnieken en het realiseren van beleidsimpact vanuit onderzoek. Ik heb zelf op dit moment beperkte kennis van statistiek en analysetechnieken, maar ik merk dat het een grote meerwaarde kan zijn om kwantitatieve inzichten samen te brengen met kwalitatieve inzichten. De vraag naar meetbaarheid, cijfers en impact is groot, terwijl de complexiteit pas bloot te leggen is als je kwalitatieve inzichten daarin verwerkt. Beide vaardigheden combineren lijken me dus enorm waardevol. Ik hoop dan ook dat dit me in staat stelt om de uiteenlopende noden van kinderen en hun gezinnen te begrijpen zodat ik beleidsactoren en het gevangeniswezen kan adviseren over hoe we deze gezinnen kunnen ondersteunen vanuit een welzijnsperspectief en niet uitsluitend vanuit een focus op risicobeheersing.”
Welke impact hoop je te maken op de maatschappij?
“Deze groep kinderen zijn nog steeds heel onzichtbaar in de samenleving. Wanneer ik vertel over mijn onderzoek, krijg ik in de meeste gevallen de reactie “Amai, daar had ik eigenlijk nog nooit bij stilgestaan, dat gedetineerde mensen ook kinderen hebben.” Dat is het begin natuurlijk. Mensen moeten zich bewust zijn van het bestaan van deze doelgroep, begrijpen wat hun noden zijn en waarom we hen best ondersteunen. Door dit zichtbaarder te maken voor de samenleving, beleidsmakers en professionals die met hen in contact komen, hoop ik het stigma te verkleinen en meer ondersteuning te creëren voor kinderen en hun gezinnen.”
Welke ontwikkelingen verwacht je in jouw vakgebied?
“Kinderen van gedetineerde ouders zijn lang benaderd geweest vanuit het concept ‘intergenerationele overdracht’. Onderzoek heeft zich lang gefocust op de risico’s van het hebben van een ouder in detentie, hoe intergenerationele overdracht van criminaliteit kan worden voorkomen en welke negatieve effecten ouderlijke detentie heeft op kinderen. Ondanks dat dit onderzoek heel waardevol is, heeft dit ook een (onbedoeld) stigmatiserend effect gehad. Kinderen worden nog steeds vaak bekeken vanuit “een risicoperspectief” en niet vanuit hun mogelijkheden.
De laatste jaren zien we echter een verschuiving waarbij er veel meer aandacht is voor veerkracht van deze kinderen, voor welke vormen van ondersteuning wel of niet werken, en voor de factoren die verklaren waarom sommige kinderen negatieve gevolgen ervaren terwijl anderen zich veerkrachtig ontwikkelen. Deze evolutie kan ik alleen maar toejuichen. Ik hoop dat er de komende jaren nog meer onderzoek zal gebeuren naar systemische ongelijkheden tussen verschillende gezinnen. Ik merk bijvoorbeeld dat bepaalde gezinnen wel toegang krijgen tot steun of informatie en anderen dan weer niet. Bepaalde gezinnen worden meer gestigmatiseerd dan andere gezinnen. Die ongelijkheid moet beter begrepen worden en de beleidsmatige aanpak moet hierop worden afgestemd.
Ten slotte zou justitie meer moeten inzetten op hoe ze families en gezinnen een waardevolle plek binnen de gevangeniscontext en het re-integratietraject kunnen geven. Momenteel zijn zij een bijkomstigheid, soms worden ze zelf gezien als een last. Nochtans kunnen zij ook als partner fungeren, niet alleen in het verminderen van recidive, maar ook in het bevorderen van het welzijn van zowel gedetineerde ouders als hun kinderen.”