(Dit interview werd eerder al gepubliceerd in het PUNI-jaarverslag.)
Naar aanleiding van de afronding van zijn doctoraatsonderzoek gingen we met onderzoeker Lorenz Pardon in gesprek over de centrale thema’s van zijn onderzoek, het veldwerk dat hij uitvoerde, de uitdagingen die hij onderweg tegenkwam en de inzichten die hij verwierf tijdens zijn traject als doctoraatsonderzoeker.
Lorenz deed een vergelijkende studie van het gevangenispersoneel in België en Nederland, waarbij telkens twee gevangenissen per land werden onderzocht. De focus lag op hoe lokale praktijken in deze vier inrichtingen vorm krijgen en welke structuren en mechanismen daar invloed op hebben, zoals functiedifferentiatie, beroepsculturen en de fysieke inrichting van de gevangenis.
Wat is het ‘grote idee’ achter je onderzoek?
Ik denk vooral functiedifferentiatie, hoe dat in Nederland en België wordt toegepast en geïmplementeerd. Of er verschillen zijn tussen de beide landen, en waarom dat die verschillen er zijn. Wat maakt, bijvoorbeeld, dat het Nederlandse personeel (PIW) vaak als menselijker en positiever wordt ervaren dan de Belgische bewaarders? In tweede instantie de beroepsculturen van de verschillende personeelsgroepen in beide landen. Niet alleen of ze verschillen, maar vooral op welke vlakken en waarom dat zo is. Dat probeerde ik te begrijpen.
Als je dit onderzoek in drie woorden zou moeten omschrijven, welke woorden kies je dan, en waarom?
Ten eerste, comparatief: omdat het hele onderzoek draait om vergelijking tussen landen, instellingen en functies. Dan, jailcraft, of misschien eerder craftsmanship; de manier waarop het personeel hun werk uitvoert, met hun eigen routines en expertise. Maar ook, de gevangenisindeling, de ruimtelijke structuren die het werk bevorderen of net belemmeren. Dat is meestal heel zichtbaar, en verklaart vaak de verschillen tussen inrichtingen. In het Engels wordt dat mooi samengevat met het woord proximity.
Wat was het leukste moment van het hele onderzoeksproces?
Zonder twijfel het veldwerk. Er zat veel variatie in: niet elke inrichting of afdeling was even aangenaam om in te werken, maar dat zijn net de momenten waarop je het meest leert. Als ik één inrichting moet kiezen, dan toch de derde, vooral omwille van de ingesteldheid van het personeel, maar ook omdat het zo’n motiverende context was om onderzoek te doen. Het was voor mij als Belgische onderzoeker ook veel onbekender terrein.
Daarnaast ook het valoriseren van de resultaten: erover in discussie gaan met collega’s en andere onderzoekers, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, op conferenties zoals het European Society of Criminologie (ESC) congres of het congres van de Nederlandse Vereniging voor Criminologie (NVC).
En, eerlijk… wat was het lastigste of minst leuke onderdeel van het onderzoek?
Eigenlijk ook het veldwerk. Het isolement, zowel sociaal als onderzoeksmatig, weegt door. Ik zou het zelfs durven doortrekken naar eenzaamheid. Veldwerk in het buitenland, ver van waar je woont, maakt dat je erg op jezelf aangewezen bent. En ja, je komt soms praktijken tegen die zwaar zijn om te observeren. Daar ben je niet altijd op voorbereid, zeker als ze zich plots voordoen. Mijn allereerste dag was meteen ook de moeilijkste. Je weet dat je voorbereid moet zijn op het onverwachte in een detentiecontext, maar dat blijft moeilijk. Soms ben je als onderzoeker té aanwezig in een situatie, en kan je niet zomaar afstand nemen.
Is er iets dat je helemaal niet had verwacht tijdens dit onderzoek?
Je weet theoretisch wel veel over deprivaties en machtsverschillen binnen een detentiecontext, maar het blijft confronterend als je ziet hoe macht soms overdreven of buiten proportie wordt gebruikt. Dat doet iets met je, als mens. Tegelijkertijd probeer je bruggen niet op te blazen, maar die ethische geladenheid is constant aanwezig. Je kan niet altijd vrij met het personeel in gesprek gaan daarover. Dat ‘hoort bij de job’ volgens hen, maar dat is niet persé ‘normaal’, en dat mag het ook niet worden.
Had je een moment waarop je dacht: ‘Dit was precies waarom ik dit onderzoek ben begonnen’?
In elke inrichting komt er een moment waarop je echt begint te begrijpen hoe een gevangenis als systeem functioneert, wanneer alles plots samenvalt. Dat je door hebt, dát is nu waarom we etnografisch onderzoek doen: interpreteren, begrijpen, vertalen, en vergelijken met andere contexten. En als je dan merkt dat je resultaten weerklank vinden in de praktijk, dat mensen in het veld mee nadenken met je verhaal, dan voelt het nuttig.
Maar dat gevoel had ik niet altijd. In mijn eerste inrichting voelde ik me totaal niet nuttig; ik vroeg me af wat ik daar deed, het gebrek aan interacties tussen personeelsleden onderling en met gedetineerden personen, deden me vaak twijfelen of het nuttig was om er zo lang te blijven. Maar vanaf de volgende inrichtingen veranderde dat, en vond ik mijn motivatie terug. Zo werd ook voor mij vanaf de eerste rij duidelijk dat de ene gevangenis de andere niet is, cliché, maar het klopt.
Wat zou je nu, na afloop van het onderzoek, anders doen of op een andere manier aanpakken?
Ik zou mijn veldwerk beter spreiden over de tijd. Nu heb ik alles in één lange periode uitgevoerd, zonder echt ademruimte om tussendoor te reflecteren. Meer tussentijdse afstand had me waarschijnlijk geholpen om mijn ervaringen grondiger te verwerken, al had het huidige tempo ook voordelen; alles zat nog vers in mijn hoofd. Daarnaast zou ik wat langer wachten met het starten van mijn eerste veldwerkfase. Ik ben er na een halfjaar al ingevlogen, terwijl ik achteraf besef dat ik baat zou hebben gehad bij wat meer voorbereidingstijd. Anderzijds, ben je ooit voldoende voorbereid?
Ik zou er ook voor zorgen dat ik elke inrichting vooraf bezoek, of minstens om een rondleiding vraag. Vaak had ik het gevoel dat de lokale directie verwachtte dat ik meteen wist wat ik moest doen of waar ik mijn focus moest leggen. Nu weet ik veel beter waar ik moet kijken, wie ik kan aanspreken en hoe ik mijn aanwezigheid optimaal kan benutten. Een concreet voorbeeld: in Nederland had de directie een uniform voor me klaargelegd zodat ik te allen tijde herkenbaar zou zijn in de inrichting. Na een bespreking met mijn promotoren zijn we op deze beslissing teruggekomen.
Verder zou ik mezelf toestaan om nog wat assertiever te zijn. Als onderzoeker heb je toelating om daar te zijn, en hoewel ik begrijp dat je altijd moet onderhandelen met het veld, mag je gerust wat “stouter” zijn. Wanneer iets zogezegd niet toegelaten is, zou ik nu sneller zeggen: “Ik heb toelating, dus ik zie niet in waarom dit niet kan.” Ik zou me minder laten afremmen. Dat is ook iets wat vanzelf groeit naarmate je onderzoek vordert. Je leert beter hoe je relaties in het veld moet aangaan: begrip tonen, ook wanneer je het niet eens bent. En tot slot, ik zou vroeger beginnen publiceren (lacht), niet te lang wachten met het uitschrijven van resultaten. Mijn publicatiestrategie zou ik nu zeker anders aanpakken. Ik lever wel een monografie af als eindresultaat. Deze publicatievorm paste ook beter bij de vorm van mijn onderzoek, nl. etnografie.
Wat hoop je dat de impact van je onderzoek zal zijn voor de toekomst?
Academisch gezien hoop ik dat mijn werk in het buitenland wordt opgepikt, dat het vooral aanleiding geeft tot discussie, ook al is men het niet met me eens. Het mag vooral niet in een lade blijven liggen. Op praktijkvlak hoop ik dat zowel België als Nederland opnieuw kritisch kijken naar functiedifferentiatie. In Nederland zie ik veel positieve aspecten, maar in de praktijk loopt het niet altijd zoals het zou moeten. De scheiding tussen functies moet gegarandeerd blijven, maar niet op een willekeurige manier, enkel om de personeelsbezetting rond te krijgen. En voor België vooral dat men beter nadenkt over het type gevangenissen dat men bouwt. Het personeel isoleren van elkaar heeft grote negatieve gevolgen voor de dagelijkse werking, en die effecten reiken verder, ze beïnvloeden uiteindelijk ook de mensen die de detentie ondergaan.
Welke tip zou je geven aan de persoon die verder onderzoek doet of werkt op jouw werken?
Ik zou aanraden om zeker ook andere inrichtingen te bezoeken, en vooral meer aandacht te besteden aan de ruimtelijke indeling van de gevangenis en hoe die de werkomgeving beïnvloedt. Er is vandaag veel onderzoek naar detentie-ervaringen van mensen in detentie, maar veel minder naar hoe het personeel zélf die omgeving ervaart , hoe ze zich daarin bewegen, welke emoties die ruimtes oproepen. Dat aspect blijft vaak onderbelicht. Er wordt soms iets geschreven over zaken zoals de impact van natuurlijke zonlicht of de fysieke werkomgeving, maar dat blijft meestal aan de oppervlakte. Ik zou zeggen: ga een laag dieper. Vraag je af: welk gevoel roept deze omgeving op? Daarom lijkt het me waardevol om te experimenteren met visuele methoden – zoals photovoicing. Daarnaast zou het interessant zijn om te onderzoeken hoe gedetineerde personen zélf de functiedifferentiatie ervaren. Dat blijft een groot hiaat in mijn eigen onderzoek.
En als ik een tip mag geven los van de inhoud, dus meer over het onderzoek doen zelf, dan zou ik zeggen: waardeer de begeleiding die je krijgt. Ik heb zelf enorm veel gehad aan mijn promotoren. Ze stonden altijd open voor gesprek en feedback. Ze boden telkens een andere blik en stuurden bij waar nodig. Niet iedereen heeft evenveel nood aan begeleiding, maar ik had het geluk dat al mijn promotoren echt bereid waren mee te denken.