An-Sofie Vanhouche, professor penologie, heeft doorheen de jaren heel wat ervaring opgebouwd met onderzoek in gevangenissen.
We spraken haar over haar favoriete onderzoeksprojecten en haar visie op de toekomst.
Hoe ben je in dit vakgebied terechtgekomen?
“Ik heb lang getwijfeld tussen dierenarts, toerisme en criminologie – drie totaal verschillende werelden dus. Uiteindelijk is het criminologie geworden. Het is een vakgebied dat raakt aan maatschappelijke thema’s waarover je veel leest en hoort, en waarmee je soms ook in je persoonlijke leven wordt geconfronteerd. Tegelijkertijd stel je je daarbij voortdurend vragen: wat klopt er eigenlijk? Hoe kunnen we hier kritisch over nadenken? Criminologie biedt handvatten om op een onderbouwde manier over zulke maatschappelijke vraagstukken te reflecteren.
Wat ik ook interessant vind aan criminologie, is dat je gemakkelijk verbindingen kunt leggen met andere disciplines en interesses. Binnen de groene criminologie kun je bijvoorbeeld thema’s als dierenwelzijn betrekken. Die openheid en interdisciplinariteit vind ik een grote meerwaarde.”
Op welk onderzoek of project ben je het meest trots?
“Ik ben blij met en trots op alle projecten waaraan ik heb gewerkt, maar mijn doctoraat heeft mij waarschijnlijk het meest gevormd. Zowel de aanloop ernaartoe als wat eruit is voortgekomen, is voor mij heel bijzonder geweest.
Het begon met een studie in Tilburg naar het leefklimaat in de gevangenis, onder promotorschap van professor Kristel Beyens en professor Miranda Boone. Ik was verantwoordelijk voor interviews met gedetineerde personen. Tijdens die gesprekken kwam voeding opvallend vaak ter sprake. Dat had ik vooraf niet verwacht, maar eten bleek een heel centrale plaats in te nemen in de verhalen van mensen in detentie.
Na dat project werkte Kristel Beyens samen met Peter Scholliers, een voedingshistoricus, een onderzoeksproject uit rond voeding in de gevangenis. Daarover heb ik vervolgens mijn doctoraat gemaakt. Vier jaar lang kon ik me in dat thema verdiepen. Ik vond vooral de combinatie van de criminologische en voedingshistorische invalshoek heel boeiend. Zo onderzocht ik bijvoorbeeld ook hoe mensen vroeger aten in detentie.
Sindsdien ben ik voeding gaan zien als een manier om breder naar de detentiecontext te kijken en die beter te begrijpen. Hoe mensen eten, vertelt immers veel over hoe mensen leven. Ook in latere onderzoeksprojecten blijft dat thema terugkomen. In Nederland begeleid ik bijvoorbeeld als copromotor twee doctoraatsstudenten die rechtstreeks rond voeding in detentie werken. Maar ook in andere studies herken ik elementen uit mijn eigen onderzoek. Lennert De Boe onderzoekt bijvoorbeeld palliatieve zorg in detentie en ziet eveneens hoe belangrijk eten kan zijn. In mijn onderzoek zag ik ook het belang voor vaders om bijvoorbeeld een verjaardagstaart te kunnen kopen en eten met hun jarige kind. Ervaringen van ouders die ik nu zie terugkomen in het onderzoek van Joyce Albrecht.
Dat doctoraat is dus echt een project dat mij als onderzoeker heeft gevormd. Het was ook het onderzoek waarin ik zelf het meest intensief in de gevangeniscontext ben gedoken. Ik merk dat ik er vandaag nog vaak naar teruggrijp wanneer ik andere onderzoeken begeleid.”
Welke persoonlijke of professionele uitdagingen heb je daarbij overwonnen?
“Onderzoek doen in een gevangeniscontext betekent dat je met heel wat moeilijke thema’s wordt geconfronteerd. Een belangrijke uitdaging is leren hoe je daarmee omgaat. We zeggen vaak dat onderzoekers goed voorbereid aan hun veldwerk moeten beginnen, maar ik weet niet of je je ooit volledig kunt voorbereiden op alles wat je daar zult zien en horen. Iedere onderzoeker moet daar uiteindelijk zijn of haar eigen weg in vinden.
Je kunt natuurlijk tips en handvatten meegeven, maar toch kom je situaties tegen die je raken of ongemakkelijk doen voelen. Je moet leren hoe je daarmee omgaat. Tegelijkertijd zoek je samen met gedetineerde personen naar een manier om binnen die bijzondere context op een gewone, menselijke manier met elkaar om te gaan.
Daarbij is het ook belangrijk om voorbij het stigma te durven kijken. Dat is essentieel voor het soort onderzoek dat wij doen, maar het is niet altijd evident. Ook vanuit de buitenwereld wordt die nabijheid tot mensen in detentie niet altijd vanzelfsprekend begrepen of gewaardeerd.”
Welke ontwikkelingen verwacht je in jouw vakgebied?
“Een eerste ontwikkeling is eigenlijk niet nieuw: het kritisch nadenken over gevangenissen en bestraffing. Enerzijds wordt vaak gezegd dat we in een periode zitten waarin het maatschappelijke en politieke klimaat conservatiever wordt. Anderzijds zie ik ook een belangrijke tegenbeweging. Mensen staan wel degelijk open voor kritische vragen over de manier waarop we straffen.
Het aanslepende probleem van overbevolking in de gevangenissen is bijvoorbeeld zo problematisch dat ze bijna onvermijdelijk fundamentele vragen oproept over ons detentiesysteem. Ik denk dat het belangrijk is om van dat momentum gebruik te maken om alternatieven verder te ontwikkelen en bespreekbaar te maken, bijvoorbeeld detentiehuizen en een sterkere inzet op herstelrecht. Ook politiek zien we daar meer aandacht voor. Detentiehuizen worden bijvoorbeeld geïntroduceerd, ook al gebeurt dat niet altijd op de manier waarop we dat idealiter zouden willen.”
Hoe kan jouw werk bijdragen aan deze veranderingen?
“Een eerste manier is door als wetenschappers voldoende ruimte te creëren voor mensen met ervaringskennis. Dat probeerden we bijvoorbeeld te doen in het vak ‘Samen leren in detentie’, waarin studenten samen met mensen in detentie onderwijs volgden rond penologie en penitentiair recht. Ook binnen onderzoek vind ik het belangrijk om waar mogelijk participatief te werken. In het onderzoeksproject rond hulp- en dienstverlening in de gevangenissen van Haren en Dendermonde werkten we bijvoorbeeld samen met mensen in detentie. Op die manier kunnen we als onderzoekers bijdragen aan een bredere maatschappelijke verschuiving waarbij ervaringskennis serieuzer wordt genomen.
Daarnaast hebben we als onderzoekers ook een rol in het beter informeren van de samenleving. Dat kan via klassieke kanalen, zoals opiniestukken, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Zo zijn we betrokken bij vzw 9m², die rondleidingen organiseert in de voormalige gevangenis van Vorst. Dat is een heel concrete manier om mensen inzicht te geven in wat er achter gevangenismuren gebeurt.
Voor mij hoeft maatschappelijke impact daarbij niet noodzakelijk te betekenen dat je kant-en-klare antwoorden geeft. Het kan net zo waardevol zijn om mensen aan het denken te zetten, hen verschillende perspectieven te laten zien en meer nuance in het debat te brengen. Ik hoop dat we met ons onderzoek – zowel door wat we onderzoeken als door de manier waarop we dat doen – daaraan kunnen bijdragen.”