Sofie De Kimpe, professor politiestudies, heeft al een indrukwekkende carrière achter de rug en blijft een belangrijke stem in politieonderzoek.
We spraken haar over haar favoriete onderzoeksprojecten en haar visie op de toekomst.
Hoe ben je in dit vakgebied terechtgekomen? Wat trok je erin aan?
“Eigenlijk ben ik een beetje toevallig in dit vakgebied terechtgekomen - of, zoals ze in Brussel zeggen, “al stoemmelings”. Politiek was altijd aanwezig in ons gezin. Mijn vader was lokaal politicus en mijn moeder werkte op het gemeentehuis, dus lokale politiek was voor mij heel vanzelfsprekend. Ik ben dan politieke wetenschappen gaan studeren, met een focus op bestuurswetenschappen, omdat ik me wilde verdiepen in de vraag hoe je op lokaal niveau degelijk beleid kan voeren.
Tijdens mijn studie moest ik een paper schrijven over de rijkswacht en het vijfhoeksoverleg. Toen ontstond eigenlijk mijn fascinatie voor de politie. Die opdracht vormde ook de brug naar criminologie. Eerlijk gezegd had ik daar voordien nooit echt aan gedacht. Ik had het beeld dat criminologie vooral iets was voor mensen die veel naar misdaadseries kijken, terwijl dat natuurlijk helemaal niet de realiteit is. Maar door die opdracht ontdekte ik dat er binnen de politie ook veel beleidswerk gebeurt, en dat boeide me enorm. Toen ik later criminologie ging studeren, heb ik me dan ook vooral op politieonderzoek gericht. Dat kwam ook voort uit een overtuiging - misschien wat naïef op dat moment - dat je via goed beleid echt veranderingen in de samenleving kan realiseren. Ik herinner me nog dat een professor mij ooit vroeg: “Is de samenleving maakbaar?” Als student antwoordde ik meteen: “Ja, natuurlijk.” Als je me die vraag vandaag opnieuw zou stellen, zou mijn antwoord genuanceerder zijn.
Voor mijn masterproef ben ik opnieuw teruggekeerd naar het lokale niveau. Ik onderzocht de impact van burgemeesters op het politiebeleid. Daarna kreeg ik de vraag of ik assistent wilde worden. Dat was eigenlijk niet iets waar ik zelf actief naar op zoek was - ik had waarschijnlijk nooit spontaan gesolliciteerd - maar zo ben ik er stap voor stap ingerold.”
Waar ligt je huidige onderzoeksfocus?
Mijn onderzoeksinteresses zijn eigenlijk gaandeweg geëvolueerd. In het begin van mijn doctoraat werkte ik vooral rond korpschefs en leidinggevenden binnen de politie. Dat vertrok sterk vanuit een bestuurswetenschappelijk perspectief en de overtuiging dat beleidsmakers het politielandschap konden veranderen. Vanuit die interesse heb ik ook een tijd bij de politie zelf gewerkt, in een project rond de politie als lerende organisatie. Die periode was tegelijk ook een eerste reality check. Ik merkte dat verandering niet noodzakelijk aan de top begint, maar vaak net aan de basis. Het idee van Lipsky’s ‘street-level bureaucrats’ - dat het dagelijkse handelen van professionals op het terrein het beleid mee vormgeeft - heeft toen veel indruk op mij gemaakt. Toen ik daarna aan de VUB terechtkwam, waar al veel onderzoek gebeurde naar de relatie tussen politie en burgers, werd dat inzicht alleen maar sterker.
De echte klik kwam er tijdens het onderzoek ‘Stop and Search in Europe’, dat ik samen met Inès Saudelli en Jenneke Christiaens uitvoerde. Daarin brachten we de politiepraktijk rond identiteitscontroles in kaart. We zagen toen heel duidelijk hoe groot de kloof soms kan zijn tussen het managementniveau en wat er op straat gebeurt. Die confrontatie met de realiteit van de praktijk is me altijd bijgebleven.
Vandaag ligt mijn focus daarom veel meer op wat er aan de basis gebeurt: hoe politiebeleid in de praktijk vorm krijgt in de interactie tussen burgers en politie. Voor mij komen daar twee grote thema’s samen: enerzijds ongelijkheid - denk aan discriminatie, vooroordelen en politiemythes - en anderzijds politielegitimiteit. Technologie speelt daar ook een rol in. Ik ben minder geïnteresseerd in de technologie op zich, maar eerder in hoe technologie bestaande ongelijkheden kan versterken of net helpen verminderen. In die zin is technologie voor mij eerder een middel dan een doel op zich.”
Op welk onderzoek of project ben je het meest trots?
“Het onderzoeksproject ‘Stop and Search in Europe’ is waarschijnlijk het project waar ik het meest trots op ben. We hebben ons daar op vrij moeilijke en gevoelige terreinen begeven. Het gaat om een maatschappelijk zeer beladen thema, en toch zijn we erin geslaagd dat onderzoek te voeren met de politie. Dat op zich was al bijzonder waardevol.
Daarnaast is het project ook verder gegroeid dan we aanvankelijk hadden verwacht. Het heeft niet alleen geleid tot een nationaal debat, maar ook tot internationale samenwerking. Uiteindelijk is daar een internationaal netwerk uit ontstaan, waarin we de VUB en onze onderzoeksgroep hebben kunnen positioneren als een kritische stem binnen het politieonderzoek.”
Welke uitdagingen heb je daarbij overwonnen?
“Onderzoek naar identiteitscontroles is niet eenvoudig. Verschillende onderzoekers die zich hier eerder mee hebben beziggehouden, zijn uiteindelijk zelfs uit de academische wereld gestapt. De reacties op dit soort onderzoek kunnen scherp zijn. Net daarom ben ik er trots op dat het ons gelukt is om dit onderzoek toch uit te voeren. Het heeft ons waardevolle inzichten opgeleverd in de manieren waarop politiepraktijken soms ongelijkheid kunnen bestendigen. Tegelijk heeft het voor mij en voor andere onderzoekers ook nieuwe opportuniteiten gecreëerd.
Een andere persoonlijke uitdaging was het coördineren van een COST-project met 27 partners. In zo’n internationale samenwerking werk je met landen die allemaal op een ander punt staan in het debat rond het thema. Die verschillende perspectieven samenbrengen en tot een gedeelde richting komen was niet evident. Maar het was tegelijk een bijzonder leerrijke ervaring, die mijn drempel om internationaal te werken volledig heeft weggewerkt.”
Welke ontwikkelingen zie je in jouw vakgebied de komende jaren?
“Technologie en artificiële intelligentie zullen ongetwijfeld een rol spelen in de toekomst van het politiewerk. Tegelijk denk ik dat die veranderingen trager verlopen dan vaak wordt voorgesteld in het publieke debat. Technologie is vandaag al aanwezig, maar de impact ervan op het dagelijkse politiewerk blijft voorlopig nog relatief beperkt. Naarmate die toepassingen verder ingeburgerd raken, zal technologie wel meer invloed krijgen op de politiecultuur. Op dit moment zien we eigenlijk nog eerder het omgekeerde: de bestaande politiecultuur bepaalt vaak hoe technologie wordt gebruikt. Dat is dus een evolutie die we zeker moeten blijven opvolgen.
Tegelijk blijft politiewerk in essentie iets dat zich op straat afspeelt. En net daar zien we vandaag een toenemende polarisering. Dat hangt samen met bredere maatschappelijke ontwikkelingen, zoals geopolitieke spanningen, armoede en groeiende sociale ongelijkheid. Die dynamieken komen vaak eerst tot uiting op straat, waar politie en burgers elkaar ontmoeten. Mijn aanvoelen is dat dit de komende jaren tot meer spanningen kan leiden in de relatie tussen politie en burgers. De samenleving verandert snel, maar de politie evolueert niet altijd in hetzelfde tempo mee. Als ze aansluiting wil blijven vinden bij die maatschappelijke evoluties, zal er ook meer moeten worden ingezet op kennisontwikkeling en reflectie over het eigen handelen. Je ziet vandaag al signalen van bewegingen zoals defund the police of politie-abolitionisme. Ik denk niet dat de politie zal verdwijnen, maar deze kritische stemmen dwingen wel tot reflectie. De politie zal zich opnieuw moeten bezinnen over haar rol in de samenleving en over hoe ze omgaat met haar taak van sociale controle.”
Hoe kan jouw werk bijdragen aan deze veranderingen, en welke impact hoop je te maken op de maatschappij?
“Ik hoop vooral dat we dit soort onderzoek kunnen blijven doen, al maakt de context van vandaag het niet altijd makkelijk. Projectaanvragen rond onderwerpen zoals ongelijkheid of politiepraktijken worden niet altijd gemakkelijk gefinancierd. Bovendien zien we in het onderzoekslandschap een duidelijke trend naar meer kwantitatieve benaderingen, terwijl ons werk vaak sterk kwalitatief is. In die zin blijven we een eerder kleine niche.
Toch hoop ik onderzoek te kunnen blijven voeren naar ongelijkheid, en vooral naar hoe politieorganisaties daarmee omgaan. Hoe ontstaat ongelijkheid in interacties tussen politie en burgers, en hoe kan de politie daar in de toekomst beter mee omgaan? We blijven dus werken rond de relatie tussen burger en politie, maar waar onderzoek vroeger vaak vertrok vanuit het perspectief van de politie, kijken we nu ook steeds meer naar de ervaringen van burgers zelf, en in het bijzonder van minderheidsgroepen. Politie richt zich in haar denken vaak op de ‘meerderheid’, maar het zijn net minderheden die vaker spanningen ervaren rond legitimiteit. Ik hoop met mijn onderzoek meer bewustzijn te creëren rond die realiteit en tegelijk handvatten aan te reiken voor hoe politieorganisaties daarmee kunnen omgaan.
Een grotere verandering die ik zelf nog graag zou zien, is een hervorming van de politieopleiding. Idealiter zou die sterker verankerd worden in het hoger onderwijs, bijvoorbeeld in een bachelor- en masterstructuur. Dat betekent niet dat elke politieagent criminologie moet studeren, maar wel dat er meer aandacht komt voor de maatschappelijke context waarin politiewerk plaatsvindt. Ook leidinggevenden zouden daar sterker in gevormd kunnen worden. In mijn onderzoek probeer ik daarom altijd de link te maken met politieopleiding. Er is vaak nog te weinig kennis en methodologische knowhow aanwezig. Het is belangrijk dat onderzoeksresultaten terugvloeien naar de politieorganisatie. Tegelijk moet een echte hervorming van de opleiding vanuit de politie zelf komen; dat kunnen wij als onderzoekers niet afdwingen.
Wat volgens mij wel een groot verschil zou kunnen maken, is een nauwere samenwerking tussen politieopleidingen en universiteiten of hogescholen. Als politie en wetenschap meer samen zouden werken op campussen in het hoger onderwijs, kunnen we hen sterker maken in het ontwikkelen van evidence-based beleid.”
Hoe was het voor jou om deel te nemen aan de expo ‘Zij is Wetenschap’?
“Ik was eigenlijk heel verrast. Je wordt plots in de schijnwerpers gezet, en dat is natuurlijk heel bijzonder. Wat het voor mij extra waardevol maakte, is dat je terechtkomt in een groep vrouwen die je zelf inspirerend vindt - en dat je dan zelf naar voren wordt geschoven als iemand die anderen kan inspireren. Dat voelt tegelijk eervol en een beetje onwerkelijk.
Het deed me ook nadenken over hoe ik vandaag als onderzoeker word bekeken, en hoe dat twintig jaar geleden anders was. Als mijn verhaal jonge onderzoekers kan inspireren, dan hoop ik vooral dat het toont dat het mogelijk is: een carrière in de wetenschap uitbouwen, ook met kinderen, ook in een vrij mannelijk onderzoeksdomein.
Tegelijk wil ik heel duidelijk zeggen dat zo’n traject nooit alleen van jezelf is. Dat project was niet mogelijk geweest zonder de vrouwen die ons voorgingen en die het pad mee hebben vrijgemaakt. Ik wil daarom ook een ode brengen aan de vrouwen die destijds de eerste stappen hebben gezet in dit onderzoeksdomein. In vergelijking met andere universiteiten binnen ons onderzoeksdomein zijn wij altijd een vrij vrouwelijke groep geweest. Zij hebben echt paden aangelegd waar ik vandaag over kan wandelen.”
Lees hier het interview met Sofie naar aanleiding van de expo ‘Zij is Wetenschap’.